De Pondfarm/ Kazerne Haeseler

Het begin van Pondfarm:
Op 20 oktober 1914 kwam het bevel van de gemeentelijke overheid dat de inwoners zo vlug mogelijk hun huis en het dorp (Sint-Juliaan) moesten verlaten. De inwoners van de noord- , en oostkant konden de Duitsers reeds zien aankomen en hoorden de geweerkogels rond hun oren fluiten. Tegen de middag begon de algemene uittocht naar Ieper of naar de dorpen in het omliggende waar familie- leden of bekenden woonden. Velen dachten dat de vlucht hoogstens enkele dagen zou duren en daarom lieten ze hun bezittingen thuis, ervan overtuigd dat ze één van de volgende dagen toch zouden terugkeren. Dit zou allesbehalve zo zijn en velen zouden hun vlucht verder moeten zetten tot zelfs ver in Frankrijk voor de komende oorlogsjaren. Een terugkeer bleef uitgesloten. De volgende nacht reeds kwam het tot een treffen tussen de rivaliserende legers. Hieronder ziet u een foto van de vooroorlogse boerderij.(Dit was de boerderij die Arsène Marant in oktober 1914 verliet.)

 

Wisselende bezetters van de hoeve in de oorlog:

- 1914: Britten (Zie boek Ieperboog: Slagveld België 10)
- 1915: Bij het begin van de gasaanval was Pondfarm het hoofdkwartier van de 2de Infantry Brigade van het Canadese Corps.
- 24-04-1915: Duitsers. In juli 1917 hadden de Duitsers hun linies met onderaardse gangen en bunkers versterkt. Zo veranderden verschillende hoeves tot een echte kleine forten, zo ook Pondfarm. Hier bevonden zich 3 grote Duitse bunkers (ong. 40m lang)en daarbij nog vele andere kleinere bunkers, Duitse onderaardse gangen en diepe kelders. De meeste materialen werden aangevoerd via een spoorlijn gelegen achter Pondfarm ( zie hoofdpagina).

Pondfarm. Augustus 1917 Ieper

De veelvuldige regen en de hevige bombardementen veranderden de omgeving in een moeras van stinkende, gele, glibberige modder.

- 27-04-1917: Duitsers

- 31-07-1917: Britten; Duitsers (enkele dagen)

- 03-08-1917: Britten

- 22-08-1917: Britten, 2/5 Gloucestershire Batallion (zie verder).

- 28-09-1918: Belgen (uiteindelijk werd het definitief heroverd door het het Belgisch leger bij hun succesvol eindoffensief).

Ik,Lieut-Colonel, onderzoek momenteel het 2/5de Bataljon Lancashire Fusiliers dat tweemaal de Pondfarm aanviel in Juli/Augustus 1917.
(Van de bovenstaande informatie, idem foto, zijn de brongegevens verloren gegaan)

Op 22 augustus 1917 deed het 2/5 Gloucestershire Batallion een aanval, onderdeel van de 3e Slag bij Ieper, op Pondfarm en veroverde die ook. Dit resulteerde in 3 officieren en 16 andere soldaten die omkwamen; 1 officier en 51 andere soldaten die gewond raakten, en 1 soldaat die vermist bleef (2/5 Gloucestershire Battalion War Diary). Hun commandant was toen Kolonel Collet.

De drie officieren die sneuvelden en vermeld worden in de "Roll of Honour" van Officieren van het Gloucestershire Regiment waren:

DAVIS, Sidney Alfred, 2nd Lt., 25 jaar, + 22nd August 1917.
TUBBS, Seymour Burnell, Capt., 28 jaar, + 22nd August 1917.
BLYTH, Alick Frederick, Lt., 20 jaar, + 23d August 1917.
Hun namen staan vermeld op het Tyne Cot Cemetery Memoriaal voor de vermisten.

Het eerste gezin dat het opnieuw aanduurfde om terug te keren naar het dorp, arriveerde op 14 januari 1920. De rest van de inwoners kwamen later, traag maar zeker. Iedereen die de moed had om hier een nieuw leven te beginnen leverde echt pionierswerk. In het begin van de heropbouw kregen Cyriel Petillion en Arseen Marant het bericht van de burgemeester en secretaris van Langemark, dat het parochiaal gebied terug zou verdeeld worden tussen Langemark en Zonnebeke. Tengevolge daarvan verkozen heel wat mensen in Langemark te herbouwen. Cyriel en Arseen stelden een petitie op en verzamelden de handtekeningen van al de teruggekeerde bewoners om aan de bisschop van Brugge het behoud van de parochie Sint-Juliaan te vragen. Deze aanvraag werd onmiddellijk door het bisdom ingewilligd.
Voor de oorlog woonde Arseen Marant op het Prinsenhof of ook Border House genoemd. Deze hoeve en Pondfarm hadden dezelfde eigenaar. Na de oorlog keerde de landbouwer van de Pondfarm, zoals zovelen, echter niet meer terug. Zo besloot de eigenaar maar één boerderij her op te bouwen en dat werd de Pondfarm (De huidige hoeve staat +/- 60m verder dan de oorspronkelijke hoeve). De locale overheid ijverde ervoor om de verwoeste gebieden opnieuw op te bouwen. De regering had weliswaar fondsen ter beschikking gesteld maar omwille van een stroeve bureaucracy en door tekorten aan materialen en geld, verliep alles vaak traag en niet zo vlot. Toch ontvingen mensen per gelegenheid wel voorschotten voor de heropbouw en werd oorlogschade uitbetaald. Ook kon men in die moeilijke jaren voorschotten in nature verkrijgen zoals vee, gereedschap en landbouwmateriaal.

Op de Pondfarm werden de grenzen van het land uitgetekend door Arseen Marant met een ploeg voortgetrokken door een paard. Eerst werd een houten barak gebouwd met balken die ze overal konden vinden. Later volgde een huis dat werd gebouwd met stenen die ze zelf maakten. Die stenen zijn ongelijk van vorm en soms zwart gerookt door de as van de kachel die ze er in gebruikten. Nog later werd een nieuwe hoeve gebouwd. Het oudere huisje diende dan verder voor verblijf van het hoevepersoneel.
Voor de oorlog was de Roeselarestraat een kasseiweg. Na de oorlog lag hij vol slijk en hier en daar was hij bedekt met houten balken om toch wat begaanbaar te blijven.

Na de oorlog lagen er in de streek hopen patroonhulzen zo hoog als de huizen. Deze werden door de overheidsdiensten opgehaald en weggevoerd. Aanvankelijk was het verboden om koper in zijn bezit te hebben. Koper was immers een duur en waardevol materiaal. Agenten in burger, patrouilleerden dan ook om diefstal te voorkomen of om eventuele verzamelaars, ... dieven, op te pakken. Deze verzamelaars staken daartoe het land in brand om zo alles te laten ontploffen wat er te ontploffen viel. Het leek wel of de oorlog opnieuw begonnen was. De volgende dag kon men dan de opgeworpen hulzen gaan rapen. Ook het weer speelde soms een rol zoals in de zomer van 1921. Die zomer was verschrikkelijk warm zodat er door de hitte ook regelmatig brand ontstond in ongereinigde gebieden, vooral rond de Fortuinhoek.

Het land van de Gallipoli farm lag er na de oorlog lang braak bij. Zo werd het dan maar gebruikt als munitie depot en ook als ontploffingsterrein. Men liet er ook dikwijls gasbommen ontploffen. Wanneer de wind in richting van de buren waaide, dreef het vrijgekomen gas naar hen toe. De buren moesten dan rond het vuur van de open haard gaan staan omdat het vuur het gas verdreef.
Het opruimen gebeurde voor een groot deel door mensen van buiten de gemeente. Deze werklieden werden betaald per gereinigde vierkante meter. Het materiaal dat zij opgroeven, moesten zij 's avonds afgeven. Omdat ijzer en koper een hoge waarde hadden, werd er nogal vaak een deel van de vondsten verstopt en daarna doorverkocht aan de inwoners. Veel arbeiders, amateurs, gingen over tot het ontmantelen van de springtuigen. Bij deze gevaaarlijke en onwettige activiteit zijn er meerdere mensen accidenteel om het leven gekomen of ernstig gekwetst.

Het zoeken naar oorlogsbuit was ook voor de teruggekeerde inwoners de voornaamste bezigheid en een bron van inkomen. Pas op de 2de plaats kwamen zij ertoe gewassen te verbouwende op plaatsen die gereinigd waren. Tot in 1923 waren de enige gewassen die er verbouwd werden: haver, erwten en paardebonen. Velen hadden na de oorlog verklaard dat het onmogelijk was om het dorp te herbouwen en de gronden weer vruchtbaar te maken. Deze voorspellingen bleken al vlug niet te zullen uitkomen, integendeel. Heel wat inwoners verdienden ook goed hun brood door handel in oorlogsbuit. Daar de zaken winstgevend waren, werd er veel gedronken zodat verschillende cafés opgericht werden. In " De Barrière" had de schilder Achiel Ghyselen heel het front afgebeeld. In de woning van de 'Pondfarm' werd door dezelfde schilder de nieuwgebouwde hoeve op de muur geschilderd.

 

 

Arseen Marant, Ongehuwd woonde er samen met zijn zus Marie en knecht Gerard Vermeulen. (tot1960)

 

 

 

 

De woning werd in 1961 vernieuwd door de nieuwe bewoners, Frans en Agnes Butaye-Haghedooren (mijn grootouders).De huidige bewoners zijn Luc en Trees Butaye-Parrein (mijn ouders) en hun kinderen: Stijn(°1988), Jonas(°1991), Karel(°1997)

Na de oorlog duurde het lang eer de Roeselarestraat werd hersteld. Het wegdek bestond uit kasseistenen maar er bleven steeds maar verzakkingen in te komen. Uiteindelijk heeft men deze kasseien verwijderd en er een nieuwe weg aangelegd. De meeste kasseien werden opgekocht door de bewoners van de straat.

Hier en daar zie je de kasseien nog. Op Pondfarm werd er ook een kleine weg mee aangelegd 'Konden die stenen praten', dan zouden zij veel over die oorlog kunnen vertellen. Tot op een dag van vandaag wordt er nog veel oorlogsmateriaal gevonden.

IJzeren voorwerpen komen immers traag omhoog uit de grond. Na natte seizoenen.
vindt men doorgaans meer voorwerpen. In de maand oktober, tijdens het rooien van de aardappelen, en in april - mei, na het ploegen en opentrekken van het land, wordt het meeste boven gehaald.

De gevonden oorlogsmunitie werd vroeger 2 à 3 keer per jaar op gehaald door de ontmijningsdienst (DOVO). Hiervoor moeten wij een melding doen bij de gemeentepolitie (Langemark). Zij komen eerst een controle doen of de aangifte juist is en pas daarna komt de ontmijningsdienst. Sedert 2003 neemt de politie notities van het gevonden oorlogsmunitie. Wij kregen de toelating om 1 keer per jaar melding te doen vandaar dat we nu jaarlijks een foto kunnen nemen van de vondsten in de zomer. Op onderstaande fotos zie je voorbeelden van hoe de vondsten word genoteerd, en enkele foto's van Dovo die de munitie komt ophalen(14/12/10).